Gedichten over het levenseinde

poems about life’s end

5 december 2019, Sociëteit De Witte, inleiding Adriaan van der Staay

Kanttekeningen bij gedichten over het levenseinde

1. Het idee voor dit onderwerp kwam voort uit een bezoek aan mijn keuken. Daar lazen Martine Mondt en Albert Kersten aan de wand het gedicht le bonheur de ce monde van Plantijn. Een gedicht over het goed leven in het aangezicht van de dood. Een discussie die ik hier wil voortzetten.

2. Gedichten over het levenseinde komen in veel culturen voor.
Een groot deel van gedichten over het levenseinde gaat over het levenseinde van anderen. Geliefden, vaders, moeders, kinderen, vrienden. Vaak grijpt men om het verlies te verwoorden naar het gedicht.

Een kleiner deel gaat over de eigen dood. Of over de dood als zodanig. Ik beperk me tot deze categorie.

Omdat het gedicht iets probeert te zeggen over het einde van het eigen leven komt het gedicht in de buurt van het individuele, emotionele, fundamentele, zo men wil irrationele. Het gedicht neemt hier de plaats in van een persoonlijke geloofbelijdenis.

3. Hoewel er veel gezegd is door wijsgeren over het levenseinde, is er maar een die mij persoonlijk iets zegt, namelijk Epicurus. Hij is alleen indirect bekend via citaten, waaronder een brief over de dood aan Menoikeos.

Diogenes Laertius, de late schoolmeester van de klassieke filosofie, citeert van Epicurus de volgende uitspraak:

De dood is niets voor ons
Want wat uiteengevallen is, heeft geen gevoel;
En wat geen gevoel heeft, is niets voor ons
.

Death is nothing to us.
For what has been dissolved has no feeling;
And what has no feeling is nothing to us.

4. Ik deel nu een bloemlezing van gedichten over het levenseinde uit en zal met summier commentaar erdoor heen bladeren.

5. Het eerste gedicht is van Mathurin Regnier (1573-1613). Hij werd bekend als satiricus, en was tegenstander van de ernst van de in zijn tijd beroemde Malesherbes. Het gedicht is bekend als zijn grafschrift, maar door hemzelf gemaakt.

EPITAPHE
DE REGNIER

J’ay vescu sans nul pensement,
Me laissant aller doucement
A la bonne loy naturelle,
Et si m’estonne fort pourquoy
La mort daigna songer à moy,
Qui n’ay daigné penser en elle.

6. Het tweede gedicht is van Christoffel Plantijn (1520-1589)
Ik nam het als leidraad van mijn oratie aan de Erasmus Universiteit.

Voornamelijk om dat het mij een voorbeeld gaf van continuïteit in de cultuur. Ik zag het als een voortzetting van de klassieke cultuur in de Christelijke wereld.

Plantijn behoorde tot de Renaissance in Antwerpen. Het gedicht is dan ook een sonnet, zoals de in die periode geschreven klassieke sonnetten van Petrarca of Shakespeare, in de volkstaal, niet langer het Latijn.

Het eerste kwatrijn geeft het genot van het leven weer. Het tweede kwatrijn een ethiek van prudentie. Het eerste terzine opent een persoonlijke visie en de laatste twee regels vormen de conclusie.

Daarin wordt een Epicureïsche visie verwoord, dat het mogelijk is optimaal te leven in het aangezicht van de dood.

LE BONHEUR
DE CE MONDE
sonnet

A voir une maison commode, propre & belle,
Un jardin tapissé d’epailiers odorans,
Des fruits, d’excellent vin, peu de train, peu d’enfants,
Posseder seul, sans bruit, une femme fidéle.

N’avoir dettes, amour, ni procés, ni querelle,
Ni de partage à faire avecque ses parens,
Se contenter de peu, n’espérer rien des Grands,
Régler tous ses desseins sur un juste modèle.

Vivre avecque franchise & sans ambition,
S’adonner sans scrupule à la dévotion,
Domter ses passions, les rendre obéissantes.

Conserver l’esprit libre, & le jugement fort,
Dire son Chapelet en cultivant ses entes,
C’est attendre chez soi bien doucement la mort.

7. Het volgende gedicht is van Adriaan Roland Holst (1888-1976). Hier is niet iemand aan het woord die als Mathurin in alle duidelijkheid spot met het levenseinde, evenmin iemand als Plantijn, de burger, die zich bezint op het leven, maar een dichter die het leven direct verbindt met de dood. Men kan dit als een liefdesverklaring zien aan het leven, die dood als een natuurlijk onderdeel aanvaardt.

Ik, die geboren ben
uit uwen schoot,
voel mij verkoren en
klaar tot uw dood.
’t Eind van mijn zwerven zal
zijn als ik sterven zal
weer in uw schoot.

Maar is mijn zwerven niet
zingen naar U?
is al mijn derven niet
winnen van U?
’t Einde der dingen is
eeuwig, – Mijn zingen is
sterven in U.

A. Roland Horst
1888 – 1976

8. De dichter Leo Vroman (1915-2014), die ook een rationeel natuurwetenschapper was, heeft een minder mystieke opvatting van het gedicht en de dood; het gedicht heeft geen leven en geen dood ook, dat wil zeggen alleen een vermogen tot spookachtig overleven.

Twee Partijen

en maak bekend
dat dit gedicht
zich tot hen richt
als president;

want evenals
gesprek en spook
heeft het geen leven
en geen dood ook.

Leo Vroma1915 – 2014

9. Wat doet het gedicht als het overleeft. De dichter Remco Campert (1929) schrijft het zo op, in het gedicht wordt de dood iets anders dan allen maar stilte, namelijk ontroering.

Poëzie

Elk woord dat wordt geschreven
is een aanslag op de ouderdom.
Tenslotte wint de dood, jazeker,

maar de dood is slechts de stilte in de zaal,
nadat het laatste woord geklonken heeft.
De dood is een ontroering

Remco Campert
1929

10. In september werd de dichter Breyten Breytenbach 80 jaar. Laurens van Krevelen zond mij zijn vertaling uit het Afrikaans toe, van een recent gedicht van Breyten, waarvan ik de laatste regels citeer. (http://magazinehetmoment.blogspot.com/2019/09/breyten-breytenbach-stilschrijffragment.html)

en om dood te gaan
stukje voor beetje maar heel kort
die rottende wond te likken
en met de laatste bezittingen
papier, choreografie, een steentje gewikkeld
in een doek een kistje begraven te verworden


hier en daar en elders overal waar
of wanneer de tijd ophanden is
jij allang gewend geraakt
vergeten al ben je vergeten

hoe je stervend moest leven
zodat geen dood jou
ooit als een haan
weer op hol zal kunnen jagen

    *

en het gedicht dan?
is het de woordweerschijning
van het verdwijnende gezicht
hier op het papier?

september 2019© 2019 Breyten Breytenbach, Parijs

Zijn opvatting van het gedicht is, dat het anders dan in het zintuiglijke leven, het ervaren vervangt door de verwoording.

11. Dit was ook de opvatting van Lucebert (1924-1994), die in zijn gedicht de volgende gelofte aflegt als dichter. Deze regel is een van de meest geciteerde in de Nederlandse poëzie.

Ik tracht op poëtische wijze
dat wil zeggen
eenvouds verlichte waters
de ruimte van het volledig leven
tot uitdrukking te brengen

Lucebert
1924 – 1994

12. Dit brengt ons naar een andere dichter die als Lucebert zowel schilder als dichter was: Wang Wei (699-761) Hij ziet als Mandarijn zowel het schilderen als het dichten als maatschappelijke activiteit, die niets zegt over wat het eigen innerlijk beweegt.

Maar ondervraagd door een bevriende rechter wil hij het volgende kwijt, als zijn laatste waarheid.

酬張少府

晚年惟好靜
萬事不關心
自顧無長策
空知返舊林
松風吹解帶
山月照彈琴
君問窮通理
漁歌入浦深

王維
Wang Wei 699 – 759

Antwoord aan onderrechter Chang

Op mijn oude dag bevalt mij alleen kalmte
Het gedoe van alle dag vergt niets meer van het hoofd
Geen enkel plan beheerst het denken
Ik keer weer in het oude dennenbos
Waar de wind suist, mijn gordel losgaat
Op de heuvel valt maanlicht, verlicht de luit en mij
Naar mijn laatste waarheid vraag je
Van het open water klinkt het visserslied


Het gedicht vertolkt als laatste waarheid dat het leven zingt.

Nagift

13. Het viel mij op dat onder mijn levenseinde-gedichten geen enkele was van een vrouw. Terwijl ik vrouwelijke dichters tot de beste reken, als Emily Dickinson, en ook als Judith Herzberg, tot mijn vriendenkring. Misschien heb ik niet ijverig genoeg gezocht.

Een voorbeeld van een gedicht over het eigen levenseinde door een vrouw verschafte mij wel de Perzische traditie. Die traditie kent de sher als doodsgedicht of laatste wil. Voor haar graf in Lahore dichtte de Mogul prinses Nur Jahan de volgende sher.

Bar mazar-I ma ghariban
ne charaghe ne gule;
ne pare parvana sozad,
ne sada-i bulbule.

Op deze plaats van eenzaamheid
steek geen lamp aan,
en strooi geen bloemen;
geen mot mag hier zijn vleugels schroeien,
geen nachtegaal zingen zijn lied.

Nur Jahan (1577 – 1645)

Ter verklaring: de mot is hier de geliefde

14. Ook in Japan bestaat een eeuwenoude traditie van doodsgedichten, als een soort afscheidsgroet, de Jisei.

Een van de meest beroemde dichters is Matsuo Bashō, hij dichtte de cyclus De smalle weg naar het hoge noorden. Die nog steeds schrijvers en theatermakers inspireert. Toen hij doodziek werd op zijn laatste trektocht dichtte hij de volgende Haiku.

旅に病んで         
夢は枯れ野を  
かけめぐる     


Tabi ni yande               
yume wa kareno o       
kakemeguru                 


Falling ill on a journey
my dreams go wandering
over withered fields

Matsuo Bashō (松尾 芭蕉 1644 – 1694)

De traditie van een afscheidsgedicht gold nog tijdens de Tweede wereldoorlog, toen kamikaze piloten voor hun laatste vlucht een doodgedicht plachten te schrijven.

15. Meer luchtig en met een woordspeling op zijn eigen naam is Moriya Sen’an. Hij sluit onze cyclus met zelfspot à la Mathurin Regnier.

我死なば            
酒屋の瓶の          
下にいけよ          
もしや雫の           
もりやせんなん  


Ware shinaba              
sakaya no kame no    
shita ni ikeyo                
moshi ya shizuku no
moriyasennan              


Bury me when I die
beneath a wine barrel
in a tavern.
With luck,
the cask will leak.

Moriya Sen’an (守屋仙庵 d. 1838)

Snel uitgesproken kan zijn naam lijken op de laatste regel van het gedicht: “het zal wel gaan lekken”